Ludwig van Beethoven
Leven
Bonn (1770-1792)
Ludwig van Beethoven was de zoon van de Rijnlandse zanger Johann van Beethoven en zijn echtgenote Magdelena Keverich. Zijn grootvader, Lodewijk van Beethoven, kwam uit Mechelen en vestigde zich later in Bonn. Deze afkomst verklaart het Nederlandse voorvoegsel van in zijn naam.
Beethovens vader trachtte van zijn zoon Ludwig, in navolging van Mozart, een wonderkind te maken, nadat hij had gemerkt dat de jongen een grote muzikaliteit aan de dag legde. Een moeilijke jeugd waarin armoede een rol speelde, en met een vader die geregeld dronk en 's nachts bij thuiskomst - indien hij gezelschap bij zich had, zijn zoon dwong uit bed te komen om voor hen piano te spelen, maakte van Ludwig een somber en wantrouwend mens, hoewel hij met zijn extraverte karakter ook luidruchtig vrolijk kon wezen. Als volwassen man kreeg hij makkelijk ruzie en kon onredelijk zijn, zelfs tegenover zijn beste vrienden. Maar hij putte zich ook uit om een vriendschap te herstellen als deze door zijn toedoen op de klippen was gelopen. In zijn latere jaren werden de somberheid en het wantrouwen meer uitgesproken door de slechthorendheid die begon in 1801 en die uiteindelijk tot volledige doofheid zou leiden. Hij klaagde ook vaak over zijn spijsvertering. Later heeft men wel eens gesuggereerd dat Beethoven met zijn conflictueuze zielsleven aan een spastische darm heeft geleden, of mogelijk zelfs colitis ulcerosa, welke door psychische spanningen werd verergerd. Ook een ziekte aan de lever is wel eens verondersteld. Dit alles is echter speculatief. Het verhinderde hem niet om tot enkele dagen voor zijn dood te blijven componeren.
Beethoven nam in Bonn in 1779 lessen bij Christian Gottlob Neefe. In 1787 ondernam hij een reis naar Wenen om bij Wolfgang Amadeus Mozart les te nemen, maar waarschijnlijk hebben de twee elkaar nooit ontmoet. Beethoven moest namelijk hals over kop terug naar Bonn, omdat zijn moeder op sterven lag.
Op 2 november 1792 maakte Beethoven zich gereed om naar de Oostenrijkse hoofdstad Wenen te verhuizen. Hij kwam op 10 november in Wenen aan. Mozart was elf maanden tevoren gestorven. Op 18 december 1792 overleed Beethovens vader.
Wenen (1792-1827)
Tussen 1792 en 1794, terwijl hij zich inmiddels definitief in Wenen gevestigd had, nam hij lessen bij Joseph Haydn. Maar tussen de twee boterde het niet erg. Haydn was verbaasd over de 'woede' in Beethovens muziek en deed zelfs een poging om de publicatie van een van diens eerste pianotrio's tegen te houden. Beethoven vond dat hij te weinig leerde bij Haydn en stopte na enkele jaren met de lessen.
In 1802 schreef hij zijn 'Heiligenstädter Testament', een testament voor zijn twee broers, Carl en Johann, waarin hij zijn wanhoop uitsprak over zijn toenemende doofheid. Hij schreef onder andere dat hij als doof musicus eigenlijk niet meer wilde leven, maar zich verplicht voelde toch in leven te blijven, om zodoende de wereld van zijn composities te laten genieten. Rond 1819 was Beethoven totaal doof.
Op muzikaal gebied was Beethoven, samen met Carl Maria von Weber en Franz Schubert, een belangrijke schakel tussen enerzijds Barok en Classicisme, en Romantiek anderzijds. Met zijn syncopen (accenten op zwakke maatdelen), zijn aan de Mannheimer Schule ontleende (subito) piano's en fortes, en plotselinge harmoniewisselingen heeft hij een heel eigen stijl gecreëerd. Hij heeft zich meer artistieke vrijheden in de muziek gepermitteerd, wat de uitdrukkingskracht van de muziek vergrootte.
Laatste jaren en begrafenis
In de herfst van 1826 kreeg Beethoven een zware longontsteking na doorweekt thuis te zijn gekomen, omdat hij met een open koets naar huis was gereden na een bezoek aan zijn broer Johann te hebben gebracht, die buiten de stad woonde. Hij overleed op 26 maart 1827 in Wenen. De dag daarna werd hij begraven. Heel Wenen was aanwezig op zijn begrafenis, ook de jonge Franz Schubert, die het jaar daarop zou overlijden. Het graf van Beethoven is gelegen op het Zentralfriedhof in Wenen.